page contents
LAMID, MARID en LUID

Alle informatie m.b.t. Nederlandse Militaire Inlichtingen organisaties en eenheden zijn afkomstig van openbare bronnen.


Om de collectie Inlichtingen aan te vullen, is Dutchhelmets.nl op zoek naar aanvullend materiaal zoals emblemen, borstzakhangers, coins, uitrusting, kleding (gevechts- en Dagelijks Tenue), foto's, documentatie, tijdschriften, boekwerken, voorschriften, stikkers, materieel en overige memorabilia. Kortom, alles wat met Inlichtingen te maken heeft.

Gezien de gevoeligheid, wordt hier voorzichtig mee omgegaan, zoals wet en regelgeving voorschrijft.



MID/LAMID, MARID en LUID


Vanaf 1949 nam de Koninklijke Landmacht de organisatie over van de Amerikaanse leger, en kreeg iedere eenheid van bataljonsniveau en hoger een staf met de secties S1 t/m S4. Sectie G/S2 was verantwoordelijk voor inlichtingen en veiligheid, waardoor iedere commandant zijn eigen ‘inlichtingenorgaan’ had. Sectie G3 Inlichtingen van de Generale Staf van de Landmacht werd omgedoopt naar Sectie G2 Inlichtingen.
Bij de marinestaf stelde Minister van Marine op 27 november 1945 een Bureau Inlichtingen (BI) in. De naam Bureau Inlichtingen werd in december 1978 gewijzigd in Afdeling Inlichtingen en Veiligheid (AIV) en in 1988 in Afdeling Inlichtingen (AI). Deze had dezelfde rol als de Secties 2 bij Landmacht en Luchtmacht eenheden.

Op 09 augustus 1949 werd bij de Landmacht de Militaire Inlichtingendienst (MID) en bij de Marine de Marine Inlichtingendienst (MARID) opgericht. Op 25 augustus 1951 werd de Luchtmacht Inlichtingendienst (LUID) opgericht. Omdat de diensten van de Koninklijke Luchtmacht en de Koninklijke Marine óók militaire inlichtingendiensten waren, werd de naam MID op 1 september 1972 gewijzigd in Landmacht Inlichtingendienst (LAMID).
De LAMID, LUID en MARID vielen onder het Ministerie van Defensie. Het hoofd van deze diensten was tevens het hoofd van de S2 bij de Landmachtstaf en Luchtmachtstaf resp. van Bureau Inlichtingen van de Marinestaf. Veel medewerkers werkten zowel voor de inlichtingendienst als voor de S2.


Militaire Inlichtingendienst (MID) 1949-1972 en Landmacht Inlichtingendienst (LAMID) 1972-1988

 

Bij vertrouwelijk Koninklijk besluit van 08 augustus 1949 werd met ingang van 09 augustus 1949 binnen de Koninklijke Landmacht de Militaire Inlichtingendienst (MID) opgericht. Naast de MID bestond er bij de Generale Staf de Sectie G2A Inlichtingen die de door de MID vergaarde informatie verwerkte tot bruikbare inlichtingenrapporten.

 

Het Koninklijk besluit van 08 augustus 1949 omschreef de taak van de MID als volgt:

- De taak van de Militaire Inlichtingendienst omvat het inwinnen van gegevens, welke nodig zijn voor:

- Een juiste opbouw en een doeltreffend gebruik van de Koninklijke Landmacht;

- De mobilisatie en concentratie der Land- en Luchtstrijdkrachten en de voorbereiding daarvan;

- Het uitoefenen van het militair gezag en het handhaven van orde en rust in geval de staat van oorlog of de staat van beleg is ingetreden;

- De bescherming van militaire geheimen;

- Het uitvoeren van de bewaking tegen daden van sabotage aan militaire objecten;

- Het treffen van maatregelen tegen diefstal van materieel, wapenen en munitie, welke bestemd zijn voor of in gebruik bij de Land- en Luchtstrijdkrachten;

- Het tijdig onderkennen van ondermijnende Politieke Propaganda in de Koninklijke Landmacht.

Bij vertrouwelijk Koninklijk besluit van 25 augustus 1951 werd de Luchtmacht Inlichtingendienst opgericht waardoor de 'Luchtstrijdkrachten' uit de taakomschrijving verdwenen.

 

Door de MID werden voornamelijk inlichtingen van strategische aard ingewonnen, zoals paraatheid, slagorde en oorlogspotentieel van een mogelijke vijand; tactiek en systeem van bevoorrading; persoonlijkheid van de hoogste militaire en politieke leiders; economische en politieke toestand en de politieke aspiraties; geschiedenis en psychologie der volken; militair-aardrijkskundige, topografische en klimatologische toestand. Een kenmerkend verschil tussen de vooroorlogse GS III en de MID was dat de melding (de inlichting) aan Sectie Operatiën van de Generale Staf niet langer bestond uit losse gegevens en ontcijferde of klare teksten maar dat de melding nu binnen de inlichtingendienst samengesteld en geëvalueerd werd.

Inlichtingen van tactische aard werden (in oorlogstijd) door 101 Militaire Inlichtingendienst Compagnie (101 MIDcie) ingewonnen. Binnen de Koninklijke Landmacht waren er naast de MID ook secties G2 en S2, G2 voor de staf van een divisie of hoger, S2 voor een brigade en lager.

 

De MID was in 1953 onderverdeeld in de secties G2A, G2B, G2C en G2D. Een scherpe afbakening in de taken van de secties is moeilijk te geven omdat die taken afhingen van het inzicht van degene die tot hoofd G2 was benoemd, en van de specialismen en interessesferen van de hoofden van de verschillende secties. De vier secties waren als volgt onderverdeeld:

- G2A (Inlichtingen) was in 1956-1968 onderverdeeld in een staf en vier bureaus (G2A1 t/m G2A4):

- G2A1, Bureau Operaties;

- G2A2, Bureau Analyse, Onder Bureau Analyse viel de Afdeling V. Dit sub-bureau analyseerde de door 898 Verbindingsbataljon verzamelde verbindingsinlichtingen;

- G2A3, Bureau Logistiek;

- G2A4, Bureau Wetenschappelijke inlichtingen.

In 1969 werd de naam gewijzigd van G2A in Afdeling Inlichtingen en Veiligheid (AIV).

 

G2B (Veiligheid) was vanaf midden jaren ’50 belast met het verrichten van veiligheidsonderzoeken van defensiepersoneel.

 

G2C had de werkzaamheden van het Centraal Topografisch Archief (CTA) overgenomen van de G7. Ook had G2C de taken om de geheime kas te beheren, de luchtfotografie te controleren en de liaison met de Topografische Dienst.

In 1967 hield G2C zich ook bezig met het aanpassen van de eisen van technische apparatuur in het kader van NAVO-regels, de behoefte van 898 Verbindingsbataljon aan technische apparatuur en met de planning op het gebied van de opleiding van ABC-personeel. In die tijd was G2C onderverdeeld in drie secties.

 

G2D (Planning). In 1953 behoorde tot de taak van G2D onder andere:

- uitvoeren van het bepaalde in een schrijven dd 10 februari 1953 van de Chef GS inzake het fungeren van het hoofd G2 als Inspecteur Militaire Inlichtingendienst;

- adviseren inzake de samenstelling en uitrusting van inlichtingenorganen;

- adviseren inzake de aanwijzing, detachering en opleiding van inlichtingendienstpersoneel;

Het treffen van voorbereidingen voor een militaire censuur in oorlogstijd was aanvankelijk ook bij G2D ondergebracht, doch begin jaren zestig werd dit veiligheidsaspect naar G2B overgeheveld.

Omdat de staf van de SMID (School Militaire Inlichtingendienst) regelmatig aan alle plannen meewerkte en over de nodige expertise beschikte, werd G2D in het voorjaar van 1970 bij de SMID ondergebracht.

Latere namen van G2D waren:

- Organisatie, Personeel en Opleidingen;

- Planning en Coördinatie (G2P/C);

- Personeel en Opleiding.

 

G2E (Haven en Industrie beveiliging).

 

G2L (Bureau Liaison) had als taak het contact onderhouden met liaisonofficieren van andere krijgsmachtdelen en met militaire attachés, dit waren zowel Nederlandse militaire attachés in het buitenland en buitenlandse militaire attachés in Nederland. Oorspronkelijk werd dit werk verricht door twee officieren, later door één officier.

 

In 1952 beschikten de staven van grote en kleine eenheden, tot en met het bataljon infanterie en overeenkomstige eenheden, over een sectie inlichtingen. Deze secties beperkten zich tot het verzamelen van gegevens over de vijandelijke strijdkrachten die zich tegenover de eigen eenheid bevonden, waarbij vooral de ondervraging van krijgsgevangenen van groot belang was.

Sommige eenheden beschikten in 1952 over gespecialiseerde secties inlichtingen, zoals de inlichtingendienst Veldartillerie, de inlichtingendienst van de luchtstrijdkrachten, de inlichtingendienst van de verbindingsdienst, de inlichtingendienst van de pioniers en de Chemische inlichtingendienst.

In 1954 had het hoofd van een G2 van een divisie een organieke afdeling Gevechtsinlichtingen (met slagorde-specialisten en luchtfoto-analisten) onder zich. Aan hem waren in principe nog toegevoegd een verbindingsverkenningsploeg, een Contra-Inlichtingen Detachement (CID) en een of meerdere specialistenploegen van 101 MIDcie. De toevoeging door de MID aan een divisie werd, naargelang de omstandigheden, gevarieerd wat aantallen en specialismen betrof.

 

In Nederland leidde de taakverdeling tussen de Binnenlandse Veiligheidsdienst (BVD) en de MID ertoe dat de MID, aan welke de beveiliging van de militaire installaties en de voorbereiding van de mobilisatie waren opgedragen, zich voor buiten de militaire sfeer te verwerven inlichtingen kon verlaten op de BVD.

In de staf van de Troepenmacht in Suriname (TRIS) bevond een S2. Het hoofd daarvan zou inzake de beveiliging van de TRIS buiten de militaire sfeer normaliter hebben samengewerkt met de Surinaamse Centrale Inlichtingendienst, de equivalent van de BVD. De geringe omvang van de Centrale Inlichtingendienst en het daar bestaande gebrek aan veiligheidsbewustzijn beletten echter een nauw contact, en noodzaakten Hoofd S2 de beveiligingstaak zelf te vervullen.

Omdat Hoofd S2 geen tijd overhield om de zelf ingewonnen inlichtingen te bewerken, werd in december 1964 besloten een tweede inlichtingenofficier bij de TRIS te detacheren, speciaal voor de bewerking van verworven inlichtingen. De door de BVD in Nederland ingewonnen inlichtingen met betrekking tot Suriname vormden een aanvulling op het gevormde veiligheidsbeeld.

 

Omdat de diensten van de Koninklijke Luchtmacht en de Koninklijke Marine óók militaire inlichtingendiensten waren, werd bij openbaar Koninklijk Besluit van 05 augustus 1972 de naam van de Militaire Inlichtingendienst met ingang van 01 september 1972 gewijzigd in Landmacht Inlichtingendienst (LAMID).

De taak van de LAMID werd in het Koninklijk besluit van 05 augustus 1972 als volgt omschreven:

- Het inwinnen van gegevens omtrent het potentieel en de strijdkrachten van andere mogendheden, welke nodig zijn voor een juiste opbouw en een doeltreffend gebruik van de krijgsmacht;

- Het inwinnen van gegevens welke nodig zijn voor het treffen van maatregelen:

- Ter voorkoming van activiteiten die ten doel hebben de veiligheid of paraatheid van de krijgsmacht te schaden;

- Ter beveiliging van gegevens binnen de strijdkracht waarvan de geheimhouding geboden is;

- Ter bevordering van een juist verloop van mobilisatie en concentratie der strijdkrachten.

 

Naast de LAMID bestond bij de Landmachtstaf de Afdeling Inlichtingen en Veiligheid (AIV). LAMID was verantwoordelijk voor de inwinning van informatie, de AIV was verantwoordelijk voor de verwerking daarvan. Hoofd LAMID was tevens hoofd van de AIV.

101 MIDcie en 111 Contra Inlichtingen Detachement (111 CID) vielen beiden organisatorisch onder de Eerste Legerkorps (1 LK), echter vielen beiden operationeel onder de LAMID.

111 CID ontstond op 01 december 1957 toen het 121 CID overging in het op die datum opgerichte 111 CID.


De LAMID was in onderverdeeld in de secties G2A, G2B, G2C en G2D.

Sectie G2A (Inlichtingen) was onder andere verantwoordelijk voor gegevens betreffende het Warschaupact en was onderverdeeld in:

- Stafsectie (basisinlichtingen, algemene taken, hoofd Sitcen);

- Sitcen (Situation Centre, crisisbeheersing);

- G2A1 (aanvullende inlichtingen, current reportorial element);

- G2A2 die verder verdeeld was in:

- HOT TAC I (ontwikkelingen);

- HOT TAC II (oefeningen);

- HFD SLO (slagorde USSR) met vier territoriumgroepen die de rest van het Oostblok voor hun rekening namen;

- HOT PVC.

- G2A3 (wetenschappelijk/technische inlichtingen);

- G2A4 (verbindingsinlichtingen en elektronische oorlogvoering);

- G2A5 (documentatie en archief);

- G2A6 (vertalingen).

 

Sectie G2B (Veiligheid/CI) was begin jaren zeventig onderverdeeld in:

- G2B1 (Offensieve Contra-Inlichtingen) hield contacten met militaire en civiele neveninstanties en met landelijke militaire Contra Inlichtingen Detachementen.

- G2B2 (Defensieve Contra Inlichtingen) hield zich bezig met het verrichten van veiligheidsonderzoeken (antecedentenonderzoek) in samenwerking met de Binnenlandse Veiligheidsdienst en de Politie.

- G2B3 (Documentatie) hield zich bezig met archiefbeheer en werkzaamheden in verband met de voorbereiding van de militaire censuur in oorlogstijd.

- G2B4 (Technische beveiligingszaken) hield zich bezig met het beveiliging tegen onder andere afluistertechnieken e.d.

Later werd Sectie B onderverdeeld in de bureaus:

- G2B1 (Contra Inlichtingen);

- G2B2 (Personele Veiligheid);

- G2B3 (Documentatie);

- G2B4 (Techniek);

- G2B5 (Militaire Veiligheid).

 

Sectie G2C (Liaison MILATS) was belast met liaison met de buitenlandse militaire attachés in Nederland en met de Nederlandse militaire attachés in het buitenland.

 

Sectie G2D (MilGeo) was belast met militaire geografie, luchtfoto-interpretatie en wegen- en bruggenklassering. Sectie G2D bepaalde het kaartenbeleid, met uitzondering van hydrografische kaarten, voor de Krijgsmacht, verzamelde, bewerkte en verwerkte alle terreininlichtingen en verzamelde en distribueerde meteoberichten.

Sectie D was onderverdeeld in Bureau Topo (Topografie) en Bureau MGID (Militair-geografische informatie en documentatie). In 1990 werd G2D onderverdeeld in:

- D1/2 Militaire Geografische Informatie en Documentatie (MGID);

- D3 Topografie (TOPO);

- D4 Luchtfotografie (LUFO);

- D5 Meteorologie (METEO).


Met ingang van 1 februari 1988 veranderde de naam Landmacht Inlichtingendienst in Militaire Inlichtingendienst/Koninklijke Landmacht (MID/KL). De MID/KL ging toen, evenals de inlichtingendiensten van de twee andere krijgsmachtdelen, onder de nieuw opgerichte Militaire Inlichtingendienst (MID) vallen.


Embleem van de LAMID.

Marine Inlichtingen Dienst (MARID) 1949-1988

 

Bij vertrouwelijk Koninklijk Besluit van 08 augustus 1949 werd met ingang van 09 augustus 1949 de Marine Inlichtingendienst (MARID) opgericht. Binnen de Marine was ook een Bureau Inlichtingen (BI) die vanaf 05 december 1951 onder de Marinestaf werd geplaatst.

 

Het vertrouwelijk Koninklijk Besluit van 08 augustus 1949 omschreef de taak als volgt:

De taak van de Marine Inlichtingendienst omvat het inwinnen van gegevens, welke nodig zijn voor:

- Een juiste opbouw en een doeltreffend gebruik van de Koninklijke Marine;

- De bescherming van maritieme geheimen;

- Het uitvoeren van de bewaking tegen daden van sabotage aan maritieme objecten;

- Het treffen van maatregelen tegen diefstal van materieel, wapenen en munitie, welke bestemd zijn voor of in gebruik zijn bij de Koninklijke Marine;

- Het tijdig onderkennen van ondermijnende politieke propaganda onder het Marinepersoneel.

 

Het openbaar Koninklijk besluit van 1972 omschreef de taak als:

- Het inwinnen van gegevens omtrent het potentieel en de strijdkrachten van andere mogendheden welke nodig zijn voor een juiste opbouw en een doeltreffend gebruik van de krijgsmacht;

- Het inwinnen van gegevens welke nodig zijn voor het treffen van maatregelen:

- Ter voorkoming van activiteiten die ten doel hebben de veiligheid of paraatheid van de Krijgsmacht te schaden;

- Ter beveiliging van gegevens binnen de krijgsmacht waarvan de geheimhouding geboden is;

-Ter bevordering van een juist verloop van mobilisatie en concentratie der strijdkrachten.'


Medio 1974 werd de plaatsvervangend commandant Sectie G2 van de Marinestaf belast met onder andere de leiding en de coördinatie van Bureau Inlichtingen.

In december 1978 werd de naam Bureau Inlichtingen gewijzigd in Afdeling Inlichtingen en Veiligheid (AIV) en in de periode 1988-1991 werd de naam Afdeling Inlichtingen (AI) gehanteerd.

 

Het Technisch Informatieverwerkingscentrum (TIVC), voorheen Wiskundig Centrum (WKC) genoemd, was een ondersteunende eenheid van de Bevelhebber der Zeestrijdkrachten en stond onder operationele leiding van de MARID. Het hield zich bezig met de interceptie en de decodering van satellietverbindingsverkeer. Begin jaren zestig decodeerde de MARID bijvoorbeeld in Nederlands Nieuw-Guinea Indonesisch berichtenverkeer.

In 1996 werd het TIVC omgevormd tot het Strategisch Verbindingsinlichtingen Centrum (SVIC).

 

Met ingang van 01 februari 1988 veranderde de naam Marine Inlichtingendienst in Militaire Inlichtingendienst/Koninklijke Marine (MID/KM). De MID/KM ging toen, evenals de inlichtingendiensten van de twee andere krijgsmachtdelen, onder de nieuw opgerichte Militaire Inlichtingendienst (MID) vallen.


Embleem van de MARID.

Luchtmacht Inlichtingen Dienst (LUID) 1951-1988 en Koninklijke Luchtmacht, Intelligence & Security (I&S)


In verband met de ontwikkeling van de luchtstrijdkrachten tot een zelfstandig krijgsmachtdeel werd bij vertrouwelijk Koninklijk besluit van 25 augustus 1951 de LUID opgericht. De taak werd in het Koninklijk besluit van 25 augustus 1951 als volgt omschreven:

'De taak van de Luchtmacht Inlichtingendienst omvat het inwinnen van gegevens, welke nodig zijn voor:

- Een juiste opbouw en een doeltreffend gebruik van de Luchtmacht;

- Bescherming van Luchtmacht geheimen;

- Het uitvoeren van de bewaking tegen daden van sabotage aan Luchtmacht objecten;

- Het treffen van maatregelen tegen diefstal van materieel, wapenen en munitie, welke bestemd zijn voor of in gebruik bij de Luchtmacht;

- Het tijdig onderkennen van ondermijnende Politieke Propaganda onder het Luchtmachtpersoneel.'

 

Naast de LUID bestond bij de Luchtmachtstaf de 'Sectie L2-Inlichtingen die vanaf 1976 de Afdeling Inlichtingen en Veiligheid (AIV) werd genoemd. De AIV verwerkte de door de LUID vergaarde informatie tot bruikbare inlichtingenrapporten. De taakomschrijving van Sectie L2-Inlichtingen werd in 1952 als volgt omschreven:

'Verzamelen van de voor de gevechtsvoering vereiste gegevens; documentatie van de strategische, industriële en technische ontwikkeling van de luchtstrijdkrachten in binnen- en buitenland. Beveiliging van de Luchtmacht. Vliegtuigherkenning. Verwerken en doorgeven van inlichtingen. Beheer der Luchtmacht bibliotheek.'

 

Op aandrang van de Tweede Kamer werd het vertrouwelijke Koninklijke besluit op 05 augustus 1972 vervangen door een openbaar besluit waarin de taak van de LUID omschreven werd als:

- Het inwinnen van gegevens omtrent het potentieel en de strijdkrachten van andere mogendheden, welke nodig zijn voor een juiste opbouw en een doeltreffend gebruik van de krijgsmacht;

- Het inwinnen van gegevens welke nodig zijn voor het treffen van maatregelen:

- Ter voorkoming van activiteiten die ten doel hebben de veiligheid of paraatheid van de krijgsmacht te schaden;

- Ter beveiliging van gegevens binnen de krijgsmacht waarvan de geheimhouding geboden is;

- Ter bevordering van een juist verloop van mobilisatie en concentratie der strijdkrachten.'

 

In 1972 zag de organisatie van LUID als volgt uit:

- L2A: Bureau Inlichtingen;

- L2B: Bureau Veiligheid;

- L2C: Bureau Planning, organisatie en opleiding. L2C stelde bijvoorbeeld het programma vast van de 'Luchtmacht Inlichtingenschool' (LIS).

- L2BB; Bureau Buitenlandse betrekkingen. De Nederlandse luchtmacht attachés in het buitenland hadden tevens een inlichtingentaak. Die taken werden gecoördineerd door L2BB.

 

De LUID gaf ook leiding aan inlichtingenofficieren op de diverse vliegbases van de Koninklijke Luchtmacht die verantwoordelijk waren voor briefing en debriefing van vliegers, contraspionage, beveiliging, e.d.

 

Met ingang van 1 februari 1988 veranderde de naam Luchtmacht Inlichtingendienst in Militaire Inlichtingendienst/Koninklijke Luchtmacht (MID/KLu) en kwam onder de net opgerichte Militaire Inlichtingendienst.


Embleem van de LUID.